Dressuur is de basis van alle principes die met paardrijden te maken hebben. Dit is dan ook het belangrijkste principe dat wij onze ruiters willen leren bij het paardrijden. Maar wat is dressuur nu eigenlijk? Ik zal proberen om dat hieronder uit te leggen en de meest voorkomende termen te noemen en te verklaren, zodat dressuur niet langer iets moeilijks is, maar een eerlijk samenspel tussen ruiter en paard dat iedereen kan leren.
Dressuur is eigenlijk te vergelijken met gymnastiek. Je moet het stap voor stap opbouwen, zodat de spieren de kans krijgen om zich aan te passen aan nieuwe bewegingen. Na zijn geboorte leert een paard zijn gewicht te verdelen over zijn vier benen en in evenwicht te blijven. Doordat wij op het paard gaan rijden, moet het leren zijn evenwicht opnieuw te vinden en wij helpen het paard daarmee door correct op zijn rug te zitten en het te begeleiden in zijn bewegingen.
Van nature loopt een paard met het meeste gewicht op zijn voorhand, dus ook als de ruiter erop zit. Het streven in de dressuur is het paard te leren zijn gewicht naar de achterhand te verplaatsen, zodat 3/5 van het gewicht op de achterhand rust en 2/5 van het gewicht op de voorhand. Met deze verhoudingen is het gewicht van paard en ruiter gelijkmatig verdeeld over vier benen en kan het paard in evenwicht lopen. Om dit te bereiken moet het paard zijn rug- en achterhandspieren beter ontwikkelen, zodat deze leniger en sterker worden en het paard zijn gewrichten makkelijker kan buigen. Op deze manier kan hij zijn achterhand beter onder het lichaam plaatsen en de achterhand is de motor van een paard.
Hulpen
Bij het rijden moet het paard leren gehoorzamen aan de hulpen van de ruiter en daarbij zijn spieren op de juiste manier te gebruiken.Wat zijn hulpen nu eigenlijk? Hulpen zijn tekens die de ruiter aan het paard geeft om duidelijk te maken wat hij wil. Er zijn drie soorten hulpen:
- Overeenstemmende hulpen: de hulpen moeten met elkaar in overeenstemming zijn, dus als je kuit aangeeft dat het paard naar voren moet, dan moet je hand ook toestaan dat het paard naar voren gaat. In de auto kun je ook gas geven, maar als je tegelijk de rem intrapt, kom je niet verder.
- Regelende hulpen: het kan zijn dat je de ene hulp te sterk hebt gegeven, dan moet je een andere hulp geven om de uitwerking te verminderen. Als je je paard naar links een stapje opzij wilt zetten en je geeft teveel rechterbeen, dan zul je wat linkerbeen erbij moeten geven om het paard in een nette en gelijkmatige lijn te laten lopen.
- Samenwerkende hulpen: dit zijn hulpen die elkaar ondersteunen, bijvoorbeeld als je een wending inrijdt. Je hand geeft richting aan, maar je been begeleidt het lichaam door de bocht en je zit stuurt mee.
- Bijkomende hulpen: stem, sporen, zweep.
Het is bij hulpen belangrijk dat je verschillende middelen gebruikt. Je werkt bij hulpen met je zit, je benen, je gewicht en je handen. Als je alleen maar teugelhulpen geeft, dan kan je paard last krijgen van stijve spieren en gewrichten in de hals, rug en nek en het zal minder soepel zijn dan wanneer je je paard met alle mogelijke hulpen begeleidt bij het rijden. Hulpen moeten op het juiste moment, op de juiste plaats en in de juiste mate gegeven worden en niet langer dan voor het beoogde doel nodig is. ImpulsOm de achterhand zo te activeren dat deze meer gewicht gaat dragen, moet het paard voldoende drang naar voren hebben. Deze drang wordt opgewekt door de ruiter (benen en zit) en wordt hierdoor ook onder controle gehouden. Deze drang naar voren noemen we de impuls. Tijdens het activeren van de achterhand moet de impuls met een vriendelijke hand aan de voorkant worden opgevangen. Hierdoor wordt het paard meer gesloten en zal het zijn gewicht over vier benen kunnen verdelen.Nageeflijkheid en aanleuningJe hebt het vast wel eens gehoord: een paard moet nageven (= ontspannen in nek- en kaakgewricht). Dat is niet alleen omdat het er zo mooi uitziet, het heeft ook zeker een andere functie. Een paard dat gaat nageven is ontspannen en kan zijn gewicht beter verdelen. Als er eenmaal nageeflijkheid is, kan het paard aanleuning nemen.
Onder aanleuning word verstaan dat het paard het bit aanneemt uit de hand van de ruiter en er dus niet tegen in protest gaat. Er ontstaat een elastische druk op de teugel die door een nageeflijk paard wordt aangenomen als gevolg van het begrenzen van de ruiterhand. Er zijn een aantal voorwaarden om nageeflijkheid en uiteindelijk aanleuning te krijgen van je paard:
- de ruiter moet een stille hand hebben, dwz stil ten opzichte van het paard, zodat het paard de hand van de ruiter vertrouwd. Het paard moet dus niet in paniek raken als de druk in de mond wordt vergroot of als deze juist wegvalt.
- het paard moet voor de kuit zijn, dat betekent dat het meteen moet reageren als jij een hulp geeft met je kuit
- het paard moet vertrouwen hebben in de hand van de ruiter. Het moet dus niet in paniek raken als de druk inde mond wordt vergroot of als deze juist wegvalt.
Als je paard na gaat geven, dan kun je dat als ruiter voelen aan een aantal dingen. Er is een lichte druk in je hand (dus je draagt niet voor je gevoel het hele gewicht van het paard) en het paard wil graag voorwaarts gaan. Een paard dat niet voorwaarts is, zal nooit kunnen nageven op een goede manier! Verder zal het paard zijn rugspieren ontspannen en daarbij zal de schoft iets omhoog gedrukt worden. Als ruiter kun je makkelijker zitten en de bewegingen van de paardenrug beter volgen.
Om aanleuning te krijgen moet je het paard zover naar voren drijven, zodat het steun zoekt bij je hand. Die steun moet je vervolgens opvangen met je hand en je zit en een onafhankelijke zit is daarbij onmisbaar. Met een onafhankelijke zit bedoelen we dat je op het paard kan zitten zonder het paard daarbij te hinderen. Je hangt dus niet aan de teugels of klemt je benen vast om het paard heen omdat je er anders afvalt.
Een paard dat �aan de teugel� loopt, loopt op een rechte lijn recht en in de wending licht gebogen naar de kant waar het naartoe gaat en heeft een beheerste drang naar voren. Hij is dus aan de hulpen van de ruiter.
Een paard kan ook achter de teugel lopen. Het paard onttrekt zich dan aan de teugelwerking door het hoofd te diep en naar achteren te brengen en op te krullen.
Een paard kan ook tegen de hand gaan lopen. Het onttrekt zich dan aan de teugelwerking door hoofd, nek, hals en kaak stijf te houden en hoofd en hals vooruit te steken.
Om te controleren of je paard goed aan de teugel loopt, kun je hem zijn hals laten strekken. Dat is dus niet de teugels losgooien, maar met je hand toestaan dat het paard zijn hals laat zakken. Een paard dat achter de teugel loopt, zak niet reageren en zijn hoofd opgekruld laten, zodat je teugels als twee waslijntjes komen te hangen. Een paard dat tegen de hand loopt, zal de teugels als het ware uit je handen trekken en niet je hand volgen en zijn neus naar beneden brengen. OntspanningJe kunt een paard pas goed rijden als hij ontspannen is. Wat is ontspanning dan en hoe kan je dat aan je paard vragen? Ontspanning heb je als het paard over zijn hele lichaam meewerkt aan het gelijkmatig buigen en strekken van de spieren. Hij heeft een tevreden gezichtsuitdrukking en beweegt zijn oren regelmatig om elk signaal op te kunnen vangen dat jij hem geeft. De staart wordt iets gedragen en hangt ontspannen naar beneden. Dit kun je zien aan een golvende punt die meebeweegt op het ritme van de bewegingen van het paard. De ruiter kan goed blijven zitten en wordt door het paard gedragen. De ademhaling is aangepast aan het ritme van de beweging en het paard kauwt rustig op het bit, zodat er schuim op de lippen ontstaat. Als het paard in de drie basisgangen (stap, draf en galop) op deze manier loopt met een lage hals en de ruiterhulpen accepteert zonder ervoor te vluchten, dan kun je zeggen dat je paard volledig in de ontspanning loopt. Let wel: zonder de innerlijke bereidheid van een paard kan er geen ontspanning worden verkregen.OphoudingenHet is vast wel eens tegen je gezegd, maak maar een ophouding. Wist je toen wat het was en wat je moest doen? Een ophouding is niets meer dan het sluiten en weer openen van je hand, zodat het paard langzamer gaat lopen. De druk op het bit neemt dus iets toe, maar daarna laat je deze druk ook weer verdwijnen. De kunst is om met zo licht mogelijke ophoudingen te rijden. Een ophouding maak je om het paard iets in tempo te laten terugnemen.
Dan is er ook nog de halve ophouding. Hierbij geef je meer hulp met je kuit, dus je drijft het paard naar voren, maar tegelijk sluit je je hand even om het dier niet harder te laten lopen. Vergeet niet ook nu de hand meteen weer te ontspannen! Een halve ophouding is bedoeld om het paard attent te maken op een oefening die je wilt gaan doen of om de aandacht er weer even bij te vragen.
Naast ophoudingen kun je ook je hand geven. Dit betekent dat de druk niet toe-, maar juist afneemt in de mond van het paard. Toestaan met de hand wordt altijd vooraf gegaan door druk met de kuit, zodat de voorwaartse drang aanwezig blijft. Er blijft wel contact met de paardenmond, maar de druk neemt af. Door het paard toe te staan met de hand vragen we het om de teugel te volgen en zich lager in te stellen