endurance
endurance
Definitie:
Een discipline waarbij één ruiter met één paard een afstand moet afleggen met een minimale snelheid.

Geschiedenis:
Vroeger gebruikten de mensen het paard om lange afstanden af te leggen. Toen daar het wedstrijdelement aan toegevoegd werd ontstond de endurance sport.

Doel:
Tijdens een endurance wedstrijd wordt de snelheid en marathoncapaciteit van het paard getest. De ruiter moet bewijzen dat deze zo snel mogelijk een aangegeven route kan volgen door verschillende terreinen. Sommige ruiters hebben als doel: het genieten van de omgeving en andere ruiters willen perse winnen.

Trainingsmethoden:
Het trainen van een endurance paard kan doormiddel van trainingsschema's, maar de ruiter moet goed opletten dat het paard de training aan kan. Daarom is het belangrijk dat de ruiter goed op de conditie van het paard let. Bij de training moet de ruiter ook rekening houden met de mogelijkheden van het paard. Niet elk paard is in staat om 160 kilometer op hoge snelheid af te leggen. Niet alleen het paard, maar ook de ruiter moet zorgen voor een goede conditie. De ruiter kan tijdens het opwarmen naast het paard mee joggen om zelf in conditie te komen. Veel endurance ruiters rijden alleen lange afstandritten. Toch is het voor het paard goed om af en toe in de manege de dressuur te trainen. De hartslag van het paard is een goede graadmeter voor de belasting tijdens de training. Meet voor de training met een stethoscoop de hartslag. De hartslag wordt aan de linkerkant van het paard net naast en boven de elleboog gemeten. Voor de training moet de hartslag tussen de 32 en 44 hartslagen per minuut zijn. Hoe sneller de hartslag na de training afneemt, hoe beter de conditie van het paard is. Tijdens wedstrijden moet de hartslag binnen 10 minuten onder de 60 slagen per minuut komen. Wanneer het langer duurt, is het paard niet in de juiste conditie en moet de afstand of snelheid aangepast worden. Het is belangrijk om de hartslag van je paard te kennen, maar het is ook belangrijk om te weten hoe snel de gangen van een paard zijn. Als deze snelheden bekend zijn, is het makkelijker om de gereden afstand te schatten. Het basisprincipe van de training is gebaseerd op het langzaam opvoeren van de inspanning en het rijden van lange afstanden met een langzaam tempo. Bij deze manier van trainen leert het lichaam van het paard beter om te gaan met de hoeveelheid zuurstof verbruik. Voordat de training begint moet het paard goed ontwormt, en de hoeven moeten netjes bekapt zijn. De eerste 90 dagen moet de ruiter, met een fit paard, beginnen met afstanden van 4 tot 6 kilometer met een gemiddelde snelheid van 10 kilometer per uur. Dit betekent dat het paard voornamelijk stapt en af en toe draaft. De meeste ruiters doen dit 5 dagen achter elkaar en dan krijgt het paard 2 dagen rust. Probeer daarnaast nog twee keer in de week een half uur de dressuur te oefenen. Let daarbij vooral op de overgangen. Zorg tijdens de training voor afwisseling van terrein en oefeningen anders gaat het paard zich vervelen. Wanneer het paard een goede conditie heeft kan de snelheid al snel opgevoerd worden, de afstand kan vergroot worden en het terrein kan zwaarder worden. Met de juiste training kan een paard na drie maanden trainen een afstand afleggen van 32 kilometer met een maximale snelheid van 16 kilometer per uur.

Een voorbeeld trainingsschema:
Maandag:
10 kilometer met 12 km/uur 30 minuten in de manege overgangen en wendingen trainen
Dinsdag:
16 kilometer over heuvelachtig terrein rijden. (duur +/- 2 uur)
Woensdag:
8 kilometer rijden met 16 km/uur 30 minuten in de manege rekoefeningen trainen
Donderdag:
Ongeveer 12 km over heuvelachtig terrein rijden. (+/- 2,5 uur)
Vrijdag:
8 kilometer met 16 km/uur

Nadat deze manier van trainen 90 dagen is beoefend kan de training verzwaart worden. De hartslag van het paard kan dan wel 150 slagen per minuut worden. Het komende halfjaar wordt de training verzwaard door galopepisodes in te voeren. Na de 90 dagen wordt de training verzwaard. Tijdens deze training (fartlek) moet het paard een halve kilometer galopperen en dan 1 kilometer draven. Deze oefening moet 4 keer per 6 kilometer herhaald worden. Na een maand moet het mogelijk zijn om 6 keer per 6 km een halve kilometer te galopperen en een halve kilometer te draven. Tijdens de training moet het paard leren om over kleine obstakels te springen en het dier moet gewend raken aan verkeer.

Trainingschema na 5 of 6 maanden trainen:
Maandag:
8 km met 16 km/uur
Dinsdag:
2 uur rijden met fartlek
Woensdag:
16 km met 16 km/uur 20 minuten dressuur (kleine voltes en slangevoltes)
Donderdag:
5 km draf, 3 km galop, 1,5 km draf, 3 km galop, 3 km draf
Vrijdag:
8 km met 16 km/uur 20 minuten dressuur met buigen en wenden
Na negen tot twaalf maanden trainen en enkele oefenwedstrijden kunnen paard en ruiter toe zijn aan een afstand van 80 km.

Benodigdheden:
Het rijdier dat gebruikt wordt moet tot het genus "Equus" behoren. Voor deze sport is geen speciaal zadel of hoofdstel nodig. Het harnachement wat gekozen wordt moet veilig zijn. Een cap is verplicht in alle klassen. Het schoeisel van de ruiter moet voorzien zijn van een hak. Wanneer dit niet zo is moet er met een gesloten stijg- of veiligheidsbeugel gereden worden. Het is niet toegestaan om met sporen te rijden. De ruiter mag wel met zweep rijden, maar deze mag niet langer dan 90 centimeter zijn.

Wedstrijdsport:
Tijdens wedstrijden leggen paard en ruiter binnen één dag een afstand af van minimaal 25 km. Tijdens de rit zijn verschillende stops waarbij het paard wordt gecontroleerd door een dierenarts. Na een afstand van 40 kilometer is een verplichte rust. Wanneer de afstand langer is dan 160 kilometer, wordt de rit verdeeld over twee dagen. De ruiters leggen dan 80 kilometer per dag af. Ruiters die niet lid zijn van de Dutch Endurance Riders (D.E.R.) mogen driemaal in de klasse I meerijden. Daarna moet de ruiter lid worden. De punten die worden behaald tellen alleen mee voor promotie wanneer de ruiter lid is van de D.E.R.

De wedstrijden worden in verschillende klassen gereden:

KlasseAfstandMinimale snelheidMinimum leeftijd paard
I25 t/m 40 km9 km/uur                   4 jaar
II       41 t/m 79 km9 km/uur    5 jaar
III      80 t/m 119 km      Verschillend      6 jaar
IV     119 km         Verschillend              6 jaar

De rijtijd van een klasse I deelnemer stopt pas wanneer de hartslag van het paard lager den 60 slagen per minuut is. Deze hartslag moet binnen 20 minuten na binnenkomst bereikt zijn. In de andere klassen wordt de rijtijd bij binnenkomst gestopt. Als ruiters dezelfde rijtijd hebben, beslist de dierenarts aan de hand van de conditie van het paard in welke volgorde men geëindigd is. Voor de deelnemers van klasse I geldt een maximale snelheid van 15 kilometer per uur.