Hoeven Krabben
Hoeven krabben dient altijd vóór en na het rijden te gebeuren!! Hoeven krabben draagt in hoge mate bij tot het in stand houden van gezonde hoeven.
nerzijds wordt de mest en daarmee de ammoniak (funest voor de hoeven) weggehaald, anderzijds wordt voorkomen dat het paard niet op zijn "hoefdraagrand" maar op "klossen" van (bak-) grond loopt en daardoor blessures krijgt.
Bij het uitkrabben kan ook direct worden gecontroleerd of er geen vreemde zaken als steentjes, glas of andere scherpe zaken in de hoef zijn achtergebleven. (zeker na buitenritten).
Hoe gaan we te werk:
Ga altijd naast het uit te krabben paardenbeen staan, pak dit van onderen bij de hoef of vlak boven de hoef vast en vraag “voetje”. De meeste paarden ook op onze manege zijn hierop getraind.
Ondersteun de hoef met de rechterhand als de rechterbenen worden gedaan (krabben dus met de linkerhand) en met de linkerhand als de linkerbenen worden gedaan (krabben dus met de rechterhand).
Met de hoevenkrabber wordt nu de hoefzool uitgekrabt, waarbij vooral de straalgroeven (zie onder) en de rand tussen zool en het ijzer (als het paard ijzers heeft) extra aandacht krijgen.
Begeleid het been na het krabben altijd terug op de grond om blessures door te hard stampen te voorkomen.

We onderscheiden bij een paardenhoef de volgende onderdelen:
Van onderen gezien:
de hoefballen aan de hiel, de middelste straalgroeve en de buitenste straalgroeven die samen de straal vormen.
De straal is altijd te herkennen aan de in mindere of meerdere mate aanwezige driehoekige vorm.
De straal vangt schokken op en zorgt ervoordat het paard niet uitglijdt.
De draagrand (heeft contact met de grond) en de z.g.n. witte lijn die evenwijdig hieraan loopt. (hierin worden de nagels voor het ijzer geslagen)
Van opzij gezien:
De kroonrand (net onder het behaarde deel van het been), de draagrand en de hoefwand.