In tegenstelling tot de dressuur is de springsport pas vrij laat ontstaan. De springsport ontstond in de tweede helft van de negentiende eeuw, maar heeft zich sinds die tijd wel ontwikkeld tot één van de populairste paardensporten ter wereld.
angezien het springen over hoge en soms ook brede obstakels best wat moed van de ruiter en het paard vragen, is de springsport niet voor iedereen even aantrekkelijk om (op hoog niveau) te beoefenen. Voor de toeschouwers van deze tak van sport wordt in ieder geval vaak veel spanning en spektakel geboden.
De grondlegger van het springen is Frederico Caprilli, een naam die in het moderne springen nog steeds gebruikt wordt. Deze Italiaan introduceerde de ‘verlichte zit’, een houding waarbij de ruiter zich naar de natuurlijke beweging van het paard schikt. Als vandaag de dag over cavaletti gesproken wordt, wordt daarmee bedoeld: houten balken op een standaard met een hoogte tot 30 cm. Cavaletti rijden kan net als draf en galopbalken ter voorbereiding van het grotere springwerk dienen. Door cavalettiwerk leert het paard in evenwicht te gaan met een ruiter op z’n rug en de afstanden nauwkeurig in te schatten. Voor de ruiter is het een goede oefening voor het ontwikkelen van de juiste zithouding voor het springen.
Ook voor het springen is de basis van het rijden heel belangrijk. Daarom is het dressuurmatig rijden van springpaarden een must. Goede springpaarden moeten namelijk in het parcours soms heel korte wendingen maken en dienen zo gehoorzaam te zijn dat ze kunnen versnellen en vertragen wanneer de ruiter dat vraagt. Dat vereist natuurlijk wel wat training.
Het goed aanrijden van de hindernis is zeer belangrijk en dient in een constant tempo en ritme te worden uitgevoerd. Als de indernis goed wordt aangereden dan is het paard optimaal in balans alvorens het de sprong maakt. De ruiter drijft het paard met de beenhulpen naar de hindernis. Vlak voor het paard de afzet voor de hindernis maakt, brengt de ruiter de handen naar voren om het paard de ruimte te geven om te springen. Het springpaard brengt boven de hindernis zijn hoofd en hals naar beneden en maakt tegelijkertijd zijn rug bol in de curve die nodig is om de hindernis te overwinnen. Deze beweging wordt het ‘basculeren’ genoemd. Daarnaast moet het paard leren zijn afzet voor de hindernis te bepalen en zijn basispassen te verlengen of te verkleinen naar de hindernis toe.
Na een basisscholing moet het paard bekend gemaakt worden met het soort hindernissen dat het in het parcours tegenkomt. Er zijn diverse hindernissen: een steilsprong, een muur, een breedtesprong zoals een oxer, triple bar, een sloot en een meervoudige hindernis zoals een dubbel- of een driesprong. Eerst moet het paard de sprongen laag leren springen. Naarmate het paard meer ervaring krijgt, kunnen de hindernissen hoger en breder gemaakt worden.
Op Manege Terneuzen wordt naturlijk springles gegeven.
Kom gerust een keer kijken naar deze mooie vorm van paardensport.